|
Toespraak Pamela Hemelrijk voor ONS
Nederland, 23 april 2005
Flatgebouw Nederland
Ik wil graag beginnen met u een parabel
te vertellen. Daar had Jezus ook altijd zoveel succes mee, dus waarom ik niet.
Deze parabel is genaamd: Flatgebouw Nederland
Toen ons flatgebouw “Nederland” indertijd werd opgeleverd boden Nolleke (een
part-time handwerklerares) en Wout (een vormingswerker) zich aan om de taken op
zich te nemen die gemeenschappelijk geregeld moesten worden, zoals
trappenhuizen, liftkokers en dergelijke. “Best”, zeiden wij, en we benoemden die
twee met algemene stemmen tot bestuur van de Vereniging van Eigenaren.
Het bestuur besloot daarop de collectieve onderhoudskosten inkomensafhankelijk
te maken. Voortaan moesten wij 5 procent van ons inkomen afdragen. “Vooruit
maar”, dachten wij. Onze inkomens ontliepen elkaar toch niet zoveel. Bovendien
vonden wij het allemaal wel leuk dat de ordinaire patser op nummer 40 met zijn
Bentley dan de grootste veer zou moeten laten..
De eerste klap kwam toen Nolleke en Wout meedeelden dat de liftkokers vernieuwd
moesten worden. De klus werd uitbesteed aan een aannemer (die trouwens later
bleek een zwager van Nolleke te zijn geweest), en viel door “tegenvallers” tien
keer zo duur uit als voorzien. Bovendien bleven de nieuwe liften om de haverklap
steken, zodat we voortaan de trap moesten nemen. Nolleke’s zwager konden wij
niet aansprakelijk stellen, want die had zijn bedrijf verkocht en was naar
Paraguay geëmigreerd. Het bestuur heeft nog wel een peperdure advocaat in de arm
genomen (die trouwens later bleek de ex-man van Nolleke te zijn), maar dat
haalde niks uit.
Om de financiële strop op te vangen werden de servicekosten door Nolleke en Wout
met 10 procent verhoogd. Wij protesteerden. Wout huurde vervolgens voor 10 mille
bureau Twijnstra en Gudde in, om te onderzoeken wat de oorzaak van de problemen
was geweest. Dat kwam na een half jaar tot de conclusie “dat er het een en ander
fout was gegaan”, en besloot met de aanbeveling “het voortaan beter te doen”.
Nolleke had ondertussen niet stil gezeten. Omdat ons bewonerskrantje “niet
professioneel genoeg was” had zij één der bewoners (die trouwens later bleek een
jeugdvriend van Wout te zijn) tegen een riant salaris aangesteld als full-time
hoofdredacteur. Sindsdien stonden er alleen nog interviews met Nolleke en Wout
in het krantje. En mededelingen over de nieuwe huisregels waaraan wij ons
moesten houden. Elke maand kwamen er een stuk of wat bij. Zo mochten wij onze
eigen ramen niet meer lappen, omdat dat “te gevaarlijk” was. Nolleke had
daarvoor een glazenwassersbedrijf in de arm genomen (dat overigens, zo bleek
later, van haar zwakbegaafde zoon was). Als je je voordeur een ander verfje
wilde geven moest je daarvoor eerst schriftelijk toestemming vragen bij een door
Wout opgerichte schoonheidscommissie. Roken, drinken, barbecuen en praten op het
balkon werd ons voortaan verboden. Om de naleving van deze regels te waarborgen
benoemde Nolleke 10 bewoners tot betaald controleur. Zij patrouilleerden over de
galerij om overtreders te beboeten. Gekleed in fraaie uniformen, die Nolleke
speciaal door Frank Govers had laten ontwerpen.
De servicekosten waren door dit alles gestegen tot 30 procent van ons
jaarinkomen. Sommige bewoners raakten in geldnood. Het bestuur riep daarop een
“solidariteitsfonds” in het leven waarop bewoners in nood een beroep konden
doen. De servicekosten moesten daarvoor wederom worden verhoogd, ditmaal tot 40
procent.
De patser met de Bentley was de eerste die het voor gezien hield. Hij vertrok.
Zijn plaats werd ingenomen door een alleenstaande moeder die zo’n laag inkomen
had dat het bestuur besloot haar geheel van servicekosten vrij te stellen. Het
flatgebouw was intussen door Nolleke en Wout omgedoopt tot “Flatgebouw
Solidariteit”. Het initiatief trok wijd en zijd de aandacht. Nolleke en Wout
werden alom geroemd om sociale bevlogenheid, en verschenen in diverse talkshows.
Zij vertelden aan iedereen die het maar horen wilde dat arme mensen in onze
luxeflat geen servicekosten hoefden te betalen. Het liep storm, zoals u
begrijpt; telkens als er een appartement vrij kwam stonden de minima met
honderden te queuen op de galerij. Er moesten drie betaalde administratieve
krachten worden aangesteld om de aanvragen te verwerken, en twee bezoldigde
commissies om te beslissen wie van de gegadigden in de grootste nood verkeerde,
en dus het appartement het hardste nodig had.
De situatie is nu als volgt: wij betalen thans 60 procent van ons inkomen aan
servicekosten. Nolleke en Wout hebben een vaste staf in dienst van 40 betaalde
medewerkers. De tien appartementen op de bovenste verdieping zijn aangekocht en
verbouwd tot kantoorruimte voor de Vereniging van Eigenaren. De kosten van die
verbouwing zijn wederom volledig uit de hand gelopen, waarna wij wederom
Twijnstra en Gudde in ons maag gesplitst kregen, ditmaal á raison van 20 miel.
Er wordt gefluisterd dat het afscheidsfeest voor Wout (die zich onlangs wegens
rugklachten uit het bestuur heeft teruggetrokken, waarna het bestuur – in casu
Nolleke - Wout’s zoon met algemene stemmen als opvolger heeft gekozen), dat dat
feest dus ook 20 miel heeft gekost; afgezien dan van het optreden van Pavarotti
natuurlijk. Maar zekerheid hebben we niet, want het feest was alleen
toegankelijk voor stafleden, en De Regelgevingsvoorlichtingskrant (RGVK), zoals
het bewonerskrantje tegenwoordig heet, heeft er niet over bericht. De redactie
heeft zich uitgebreid als een olievlek, en heeft thans vier voormalige
appartementen als kantoorruimte in gebruik. Om de krant te financieren heeft
Nolleke voor alle bewoners een “verplichte bijdrage” in het leven geroepen, die
elk jaar stijgt.
De liften doen het nog steeds niet, en het flatgebouw begint in verval te raken.
Als we protesteren zeggen Nolleke en Wout jr. steevast: “ Hoor eens, we moeten
nou eenmaal bezuinigen. Er is domweg geen geld voor nieuwe liften, zo simpel is
het. Maar wat klaag je toch? Als je vindt dat we het niet goed doen, dan kies je
toch gewoon een ander bestuur?”
Maar het vervelende is: wij kunnen Nolleke en Wout jr. nooit meer afzetten. Want
een meerderheid van de bewoners krijgt thans óf geld uit het solidariteitsfonds,
óf heeft een baan bij de Vereniging van Eigenaren.(Of allebei.) En dat wil die
meerderheid uiteraard graag zo houden. Nolleke en Wout jr. zullen dus altijd de
verkiezingen winnen. Ze hebben hun electoraat gekocht met het geld dat ze ons,
in naam van het algemeen belang, afhandig hebben gemaakt. Wij zitten als een rat
in de val. Als het zo doorgaat gaan de servicekosten naar 90 procent, en gaan we
met z’n allen failliet, tot de laatste man. En wij kunnen er niets tegen doen.
“Vertrekken”, zult u zeggen, en dat lijkt inderdaad het enige wat er nog opzit.
Maar daar kunnen wij om de een of andere sentimentele reden maar niet toe komen;
we stellen het steeds uit. Soms ben ik wel eens bang dat we dat we daar ooit nog
heel veel spijt van zullen krijgen.
Enfin, u begrijpt waar ik heen wil. Het hierboven geschetste sluipende proces,
maar dan in het groot, voltrekt zich in dit land al decennia lang, zonder op
enig noemenswaardig verzet te stuiten. Neem nou de belastingdruk: Omstreeks 1910
had onze regering aan 10 procent van het BNP genoeg om dit land draaiende te
houden. In de tijd van Den Uyl was dat een procent of 40, en thans neemt de
staat jaarlijks 60 procent in beslag van alles wat er in Nederland wordt
verdiend. Met andere woorden: u werkt thans zeven maanden per jaar als
dwangarbeider voor de staat, en u houdt slechts 5 maanden over om in uw eigen
onderhoud te voorzien. Zelfs een lijfeigene in tsaristisch Rusland had meer
vrijheid om over zijn eigen inkomen te beschikken dan u en ik in deze
democratie. Mijn zwager, een succesvol ondernemer, moest in de jaren zeventig 80
procent van al zijn verdiensten afdragen aan de fiscus. En Astrid Lindgren moest
in het democratische Zweden zelfs meer dan honderd procent dokken, omdat ze
naast haar inkomsten als schrijfster ook over eigen vermogen beschikte. Niemand
wil dat geloven, maar het is een feit. Zoek het maar op in haar biografie. Hoe
meer Pippi Langkousen er werden verkocht, hoe verder Astrid Lindgren er
financieel op achteruit ging. Voor haar onschatbare bijdrage aan de
wereldliteratuur werd zij door de staat gestraft met boetes, opdat de
talentlozen voor hun falen konden worden beloond met subsidies. Dat is nou wat
sociaaldemocraten rechtvaardigheid believen te noemen. En dan zijn ze nog
verbaasd ook als vervolgens de produktiviteit stagneert en de welvaart afneemt.
Nogal wiedes, als je stelselmatig succes afstraft en falen beloont. Het mag een
wonder heten dat Astrid Lindgren niet met schrijven is gestopt, als je nagaat
dat ze moest toebetalen om te mogen werken. Het doet me altijd denken aan die
mop van Moos, die solliciteert naar een baan als portier in een striptease-tent.
“Wat dacht je van 500 pop per maand?” zegt de baas van de striptease-tent. “O
jee”, zegt Moos bekommerd “Ik weet niet of ik dat wel kan betalen.”
Let’s face it: zwakte, passiviteit en hulpeloosheid zijn in onze
verzorgingsstaat een middel van bestaan geworden. Het is geen vetpot, maar je
kunt ervan rondkomen. Het aandikken van de eigen hulpbehoevendheid is derhalve
de nationale sport geworden. De helft van de Nederlandse beroepsbevolking is
thans voor zijn inkomen afhankelijk van de staat: twee miljoen mensen verdienen
hun brood als beleidsambtenaar of via gesubsidieerde stichtingen en fondsen, en
vier miljoen mensen liggen te vegeteren aan het infuus van de Bijstand, de WW,
de AOW, de Ziektewet, de VUT of de WAO. Die twee miljoen “werkenden” zijn net
zo’n molensteen om de nek van de economie als die vier miljoen steuntrekkers.
Want ze houden zich niet bezig met de productie van goederen en diensten, maar
uitsluitend met het in beslag nemen van geld bij hen die het bezitten en het
verdelen daarvan onder hen die het nodig hebben. Tegen de tijd dat die poet de
zwakkeren bereikt is het leeuwendeel al opgegaan aan administratiekosten,
overheidsgebouwen en ambtenarensalarissen.
In dit absurde systeem zwaaien de zwakkeren de scepter over de sterkeren, hoe
paradoxaal het ook klinkt. Wie niet in staat is zelf in zijn onderhoud te
voorzien kan via de verzorgingsstaat gewoon beslag laten leggen op andermans
inkomen. Maar als de zwakkeren, daarbij geholpen door de bureaucratie, erin
slagen om met geweld hun wil op te leggen aan de sterkeren, kun je ze dan met
goed fatsoen nog wel zwakkeren noemen? Dat vraag ik u af. Wie is de sterkste: de
werkende die gedwongen wordt zijn inkomsten af te staan, of de niet-werkende die
zijn inkomen zonder tegenprestatie kan opeisen bij anderen? Gewapend met niets
dan hun zwakheid hebben de zwakkeren een recht veroverd dat voor niemand anders
is weggelegd: het recht op gratis kost en inwoning. Een sterk staaltje, dat zult
u toch moeten toegeven. Zeker voor een zwakkere.
Het is onbegonnen werk om zo’n parasitaire overheidsbureaucratie weer weg te
krijgen als ie eenmaal is ontstaan. De ambtenarij is namelijk veel en veel
machtiger dan alle ministers bij elkaar, en peinst er uiteraard niet over om
zichzelf op te heffen. Pim Fortuyn heeft een schuchtere poging in die richting
ondernomen, and look what happened to him!
Kortom: dit proces van geïnstitutionaliseerd kannibalisme zal doorgaan. Net
zolang tot het laatste restje productieven onder die loden last bezwijkt, en we
allemaal failliet zijn, net als in dat flatgebouw. En ziedaar: dan is het alom
bejubelde gelijkheidsideaal eindelijk toch nog verwezenlijkt. Halleluja! Het
heeft offers gekost, en we hebben de vrijheid van het individu ervoor moeten
afschaffen, maar het is gelukt: er zijn geen inkomensverschillen meer. Iedereen
krijgt hetzelfde armzalige rantsoen van de staat. Iedereen is gedegradeerd tot
bedelaar. Behalve de partijbonzen natuurlijk. Dat is nou die beroemde
“verlossing uit de slavernij”, die ze ons altijd hebben beloofd.
“De overheid is een kankergezwel”, las ik laatst op internet. Hear hear. De
vergelijking is daarom zo adequaat, omdat een kankercellen zich niet alleen per
definitie steeds verder uitzaaien, maar zich ook, om die groei mogelijk te
maken, voeden met de energie van gezonde cellen. Het zijn kannibalen. Hoever het
kannibalisme van onze bureaucratie is voortgeschreden, realiseerde ik me toen ik
laatst vanuit de trein een afzichtelijk wangedrocht van een gebouw zag staan, zo
lelijk en nors en vijandig en kolossaal dat ik me afvroeg wat het was. Het bleek
het deelraadkantoor Geuzenveld te zijn. Twaalf verdiepingen hoog was het, en het
oude stadhuis van waaruit twintig jaar geleden nog geheel Amsterdam werd
bestuurd kon er drie keer in. Dat gedrocht (en we hebben er inmiddels 15 van) is
van ons geld gebouwd om onder meer de activiteiten mogelijk te maken van het
deelraadslid El Yakoubi, wiens enige wapenfeit, voor zover valt na te gaan,
hieruit bestaat dat hij zijn vrouw zonder een cent en zonder paspoort in Marokko
heeft gedumpt, haar toen als vermist heeft opgegeven en zich vervolgens van haar
heeft laten scheiden. Hij is hiervoor nog steeds niet strafrechtelijk vervolgd,
en dat zal ook niet gebeuren, dat geef ik u op een briefje. Wat heet: hij is
niet eens uit de fractie gezet! Hij mag rustig doorgaan ons te beboeten als we
een bloembak op de stoep zetten.
Dat vergeet ik namelijk nog helemaal u erbij te vertellen: onze overheid heeft
zichzelf immuun gemaakt voor strafvervolging. Het Pikmeer II arrest, waaraan
geen macht ter wereld meer iets kan veranderen omdat het nu in onze
jurisprudentie verankerd ligt, bepaalt dat ambtenaren niet vervolgd kunnen
worden voor misdrijven die zij beroepshalve hebben begaan. Kortom: als een
ambtenaar zijn vrouw mishandelt is hij strafbaar (al moet ik dat in het geval
Yakoubi nog zien), maar als hij laat ons zeggen illegaal vergunningen afgeeft
aan een vuurwerkfabriek die vervolgens ontploft, of pakweg in opdracht van zijn
chef een oppositieleider uit de weg laat ruimen, dan gaat hij vrijuit. Want hij
heeft dat delict dan niet begaan als individu, maar als nietig radertje in een
grote overheidsmachine, en een machine kun je niet straffen. Dat is ongeveer de
strekking van het Pikmeer-arrest. Ik heb daar indertijd het volgende over
geschreven: “Hoe valt dat arrest eigenlijk te rijmen met artikel 1 van de
grondwet? Hoeft de overheid dat artikel (allen die zich in Nederland bevinden
worden door de wet gelijk behandeld) dan niet op zichzelf toe te passen? Gut,
nou ik erover nadenk: nergens in de grondwet staat met zoveel woorden dat de
staat zijn eigen wetten niet mag overtreden. Zou de wetgever er indertijd vanuit
zijn gegaan dat dat vanzelf sprak? Dan is de wetgever misschien wel een
tikkeltje te naïef geweest”.
Stommeling die ik ben: ik ben de grote naïeveling! De overheid overtreedt
namelijk al sinds jaar en dag haar eigen wetten, maar ik had daar nog nooit bij
stilgestaan. De overheid heeft gokspelen onwettig verklaard, maar exploiteert
zelf casino’s en loterijen. Zij trekt fortuinen belastinggeld uit om
gokverslaving te bestrijden, maar maakt daarnaast (eveneens van belastinggeld)
tv-spotjes waarin huisvrouwen worden aangemoedigd om wat vaker te gaan gokken.
De overheid voert een draconische war on drugs, maar zet via het onderwijs
ouders onder druk om hun hyperactieve kinderen te drogeren met het opiaat
Ritalin. De overheid straft diefstal, maar onteigent zelf bezittingen. De
overheid verbiedt discriminatie, maar draagt ons tegelijkertijd op bij
sollicitaties voorrang te geven aan vrouwen, allochtonen en babyzeehondjes. De
overheid verbiedt het bedrijfsleven om prijsafspraken te maken, maar koppelt
zelf de aardsgasprijs aan de olieprijs; als dat geen prijsafspraak is met de
OPEC-landen dan weet ik het niet meer. De overheid pompt ons via het Nibud in
dat het heel dom is alles op afbetaling te kopen onder het motto buy now, pay
later, maar heeft zelf een staatsschuld opgebouwd waar we nooit meer vanaf
komen.
Waarom we al die bullshit slikken, ik zou het u niet kunnen vertellen.
Waarschijnlijk omdat we ons door de overheid hebben laten wijsmaken dat al die
inbreuken op onze persoonlijke vrijheid worden gepleegd in het algemeen belang.
Maar dat is natuurlijk niet zo. Dat in dit land de boekenprijs dwingend wordt
voorgeschreven is niet in het algemeen belang; het dient slechts het belang van
uitgevers en auteurs. De lezers daarentegen worden er zwaar door benadeeld. Het
subsidiëren van kunst is slechts in het belang van kunstenaars; niet in het
belang van die duizenden sloebers die geen ene boodschap hebben aan
grensverleggend theater en conceptuele schroothopen, laat staan aan projecten
als “kutjekleien” en “begeleid vogelhuisjes beschilderen”, maar daar toch
gedwongen aan mee moeten betalen. Ik heb eens, in een open brief aan Marcel van
Dam, gevraagd hoe hij het vinden zou als ik bij hem ongevraagd mijn columns inde
brievenbus zou mikken, om hem vervolgens een deurwaarder met een gepeperde
rekening op zijn dak te sturen. En waarom hij het dan wel gewoon vindt dat ik
moet dokken voor zijn jaarsalaris, hoewel ik nooit om zijn kutprogramma’s heb
gevraagd, en er zelfs een bloedhekel aan heb.
Laatst viel me in dat als het goed gaat met de economie, dat de regering er dan
altijd als de kippen bij is om zichzelf op de borst te trommelen en te jubelen
dat zulks te danken is aan haar economisch beleid. Gaat het daarentegen slecht
met de economie, dan legt de regering ons uit dat zulks te wijten is aan externe
factoren, waarop de overheid geen invloed kan uitoefenen, zoals de olieprijs, de
koers van de dollar, het smelten van de ijskap of het slechte weer. Maar als de
overheid, naar eigen zeggen, niet bij machte is om economische recessie te
voorkomen, waarom hebben we dan in vredesnaam toch een ministerie van
economische zaken? Waarom laten ze mij niet gewoon, steeds als de economie
keldert, uitleggen dat daar nou eenmaal geen kruid tegen gewassen is? Dan zijn
ze een stuk goedkoper uit, want ik ben bereid dat voor een zeer zacht prijsje te
doen.
Het ergste van alles is dat al die zinloze maatregelen nieuwe maatregelen
genereren, die in hoge mate inbreuk maken op onze persoonlijke vrijheid. Omdat
de staatsgezondheidszorg een onbetaalbaar fiasco is geworden, wil de staat ons
nu dwingen om gezond te gaan leven. Wij mogen niet meer zelf uitmaken wat we
eten, drinken, roken, snuiven, slikken of spuiten, en we zullen verplicht moeten
afvallen en joggen. De muur mag dan gevallen zijn, we leven nog steeds in een
stalineske maatschappij. Overal wordt het individu opgeofferd aan het systeem.
Of het nou de landbouw is (waar alle koeien doodgemaakt moesten worden omdat
Brussel dacht dat dat goekoper was dan vaccineren), of de gezondheidszorg (waar
ze de bejaarden laten versterven om het beddentekort op te lossen), of het
onderwijs (waar ze steeds meer lastige kinderen de deur wijzen): het systeem
moet in stand blijven, desnoods ten koste van de burgers voor wier welzijn dat
systeem is uitgevonden. Op de tv hoorde ik laatst de rechter uitspraak doen in
een zaak die een benadeelde patiënt tegen een ziekenhuis had aangespannen. De
rechter wees de eis af, omdat volgens hem het belang van het ziekenhuis hier
moest prevaleren boven het belang van de patiënt. I rest my case.
De meeste mensen die ik ken zijn ontzettend bang voor de macht van het geld.
Maar ze zijn gek genoeg helemaal niet bang voor de macht van een handvol
politieke carrièrejagers, die niet alleen net zoveel geld kunnen binnenharken
als ze maar willen, maar die bovendien het monopolie op geweld hebben, en zelf
mogen bepalen wat legaal is en wat niet. Als dat geen basis is voor
machtsmisbruik, dan weet ik het niet meer. Een wijs man, wiens naam me nu niet
te binnen wil schieten, heeft eens gezegd: “Mijn steenrijke buurman, die
misschien ook wel mijn werkgever is, kan niet half zoveel macht over mij
uitoefenen als de eerste de beste ambtenaar derde klasse, die de macht van de
staat achter zich heeft, en van wiens nukken grillen het afhangt hoe ik moet
leven en werken”.
Enfin, als u mijn stem wilt hebben voor uw nieuwe partij, dan weet u wat u te
doen staat: schroef de macht van de staat terug, want machtsmisbruik door de
staat is het grootste gevaar dat ons bedreigt. Mensen die dat gevaar signaleren
worden uiteraard door de staat niet getolereerd, dat spreekt. Zij worden dan ook
meestal afgeschilderd als een gevaar voor de samenleving. Pim Fortuyn heeft
geprobeerd het te signaleren, and look what happened to him.
Herinnert u zich nog senator Barry Goldwater? Hij verloor in de jaren zestig de
presidentsverkiezingen. Het enige wat ik in die tijd wist, dat was dat je tegen
Barry Goldwater moest zijn. Het sprak zo vanzelf dat het nauwelijks gezegd
hoefde te worden. Iedereen dacht er zo over. Ik hield hem voor een soort
crypto-fascist met gevaarlijke racistische trekken. Dat was namelijk het beeld
dat in de media, ook de Nederlandse, consequent van hem werd geschetst.
En nu pas begrijp ik waarom. Hij wilde namelijk de macht van de staat
terugdringen, en dan maakt het establishment korte metten met je. Hij heeft dan
ook, voor zover ik weet, ik 1964 tegen Lyndon Johnson de grootste
verkiezingsnederlaag uit de geschiedenis geleden, tot grote opluchting van alle
weldenkende intellectuelen op aarde, voor zover ik kan nagaan. Dit is wat hij
zei:
“I have little interest in streamlining government or in making it more
efficient, for I mean to reduce its size. I do not undertake to promote welfare,
for I propose to extend freedom. My aim is not to pass laws, but to repeal them.
It is not to inaugurate new programs, but to cancel old ones that do violence to
the constitution, or that have failed in their purpose, or that impose on the
people an unwarranted financial burden. I will not attempt to discover whether
legislation is “needed”, before I have first determined whether it is
constitutionally permissible. And if I should later be attacked for neglecting
my constituents “interests”, I shall reply that that I was informed that their
main interest is liberty, and in that cause I am doing the very best I can.”
Geen wonder, dacht ik bij mijn eigen toen ik dat las, dat die Goldwater als
cryptofascist de geschiedenis is ingegaan. Hij vocht voor de vrijheid van het
individu, en dan krijg je het hele staatsapparaat tegen je, inclusief de
parlementaire pers. Dan ben je voor je het weet tot staatsvijand nummer 1
gebombardeerd. Die Goldwater mag blij zijn dat hij niet is geliquideerd, net als
Pim Fortuyn; that’s all I can say.
Ik dank u voor uw aandacht, en hoop dat ik u niet heb verveeld.
|
|